Paus Franciscus roept de hele kerkgemeenschap op in de vastentijd de vele mensen in materiële, morele en geestelijke nood niet halfslachtig te helpen. „Het zal ons goed doen ons af te vragen waar we afstand van kunnen doen”"> Paus Franciscus roept de hele kerkgemeenschap op in de vastentijd de vele mensen in materiële, morele en geestelijke nood niet halfslachtig te helpen. „Het zal ons goed doen ons af te vragen waar we afstand van kunnen doen”" /> Pancratiusparochie Sloten - Nieuws

Pancratiusparochie Sloten






Delen:
meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook
Volgen:
link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten volg Pancratiusparochie op Twitter volg Pancratiusparochie op Facebook

De vastenboodschap van paus Franciscus

Hij is arm geworden opdat u rijk zou worden door zijn armoede (2 Kor. 8,9).

gepubliceerd: woensdag, 5 maart 2014
De vastenboodschap van paus Franciscus

Paus Fran­cis­cus roept de hele kerk­ge­meen­schap op in de vas­ten­tijd de vele mensen in mate­rië­le, morele en gees­te­lij­ke nood niet half­slach­tig te helpen. „Het zal ons goed doen ons af te vragen waar we afstand van kunnen doen”

 

Beste broe­ders en zusters,

Nu de Vasten nadert, zou ik een paar gedachten willen aanreiken die ons kunnen helpen op onze weg naar beke­ring als in­di­vi­duen en als ge­meen­schap. Deze gedachten zijn geïnspireerd door de woor­den van St.-Paulus: "Want de liefde­daad van onze Heer Jezus Christus hoef ik u niet in her­in­ne­ring te brengen: hoe Hij om uwentwil arm is gewor­den, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zoudt wor­den door zijn armoede" (2 Kor. 8,9). De apostel schreef dit aan de chris­te­nen van Korinthe om hen aan te moe­digen vrijgevig te zijn en de gelo­vi­gen in Jeru­za­lem die in armoede leef­den, te helpen. Wat betekenen deze woor­den nu, voor ons chris­te­nen? Wat betekent deze uit­no­di­ging tot armoede, tot een leven van evan­ge­lische armoede voor ons, heden ten dage?

1. Christus’ genade

Aller­eerst laat het ons zien hoe God te werk gaat. Hij open­baart zich niet omgeven met wereldlijke macht en rijkdom, maar veeleer in zwakte en armoede: "Terwijl hij rijk was, is hij om uwentwil arm gewor­den …." Christus, de eeuwige Zoon van God, één met de Vader in macht en glorie, koos ervoor arm te wor­den; Hij kwam onder ons en is ieder van ons nabij­ge­ko­men; Hij heeft zich van zijn majes­teit ontdaan en van zich zelf om in alles aan ons gelijk te zijn (vgl. Fil. 2,7; Heb. 4,15).

De menswor­ding van God is een groot mysterie! Maar de reden voor dit alles is zijn liefde, een liefde die genade is, vrijgevig­heid, een verlangen ons nabij te zijn, een liefde die niet aarzelt om zich zelf te offeren als offer voor zijn geliefde schepsel. Naasten­liefde, liefde, dat is: in alles het lot delen van degene die wij lief­heb­ben. Liefde maakt ons gelijksoor­tig, het creëert gelijk­waar­dig­heid, het breekt muren af en doet afstan­den ver­dwij­nen. Dit is wat God met ons deed. "Met men­se­lijke han­den heeft [Jezus] immers werk verricht, met een men­se­lijke geest heeft Hij gedacht, met een men­se­lijke wil heeft Hij gehandeld, met een men­se­lijk hart heeft Hij liefgehad. Geboren uit de Maagd Maria, is Hij wer­ke­lijk één van de onzen gewor­den, in alles aan ons gelijk behalve in de zonde." (Gaudium et Spes, 22).

Het doel waarvoor Jezus arm werd, was niet de armoede omwille van de armoede zelf, maar zoals Paulus zegt opdat gij rijk zoudt wor­den door Zijn armoede. Dit is niet zomaar een woordspelletje of een slogan. Nee, het is eer­der een samen­vat­ting van Gods logica, de logica van de liefde, de logica van de menswor­ding en van het kruis. God liet onze verlos­sing niet uit de hemel op ons neervallen, zoals iemand die uit zijn overvloed aalmoezen geeft vanuit een gevoel van vroom altruïsme.

Christus’ liefde is anders! Toen Jezus in het water van de Jordaan stapte en door Johannes de Doper werd gedoopt, deed Hij dat niet omdat Hij berouw of beke­ring nodig had; Hij deed het om met de mensen te zijn die wél ver­ge­ving nodig hebben, met ons zon­daars, en om de last van onze zon­den op zich­zelf te laden. Dit was de manier die Hij koos om ons te troosten, ons te red­den, ons te bevrij­den uit onze ellende. Het is op­val­lend dat de apostel verk­laart dat wij bevrijd zijn, niet door Christus´ rijkdom, maar, door zijn armoede. Toch is Paulus zich ook heel goed bewust van "de ondoorgron­de­lijke rijkdom van de Christus" (Ef. 3, 8), dat Hij "erfgenaam [is] van al wat bestaat" (Heb. 1,2).

Wat is dan deze armoede waardoor Christus ons bevrijdt en waar­mee Hij ons verrijkt? Het is zijn manier om ons lief te hebben, Zijn manier om onze naaste te zijn, zoals de Barm­har­tige Samari­taan de naaste was van de man die half­dood langs de kant van de weg was achter­ge­la­ten (cf. Luc. 10,25 e.v.). Dus wat ons ware vrij­heid, ware verlos­sing en waar geluk verschaft, zijn het mededogen, de teder­heid en de soli­da­ri­teit van zijn liefde. De ons verrijkende armoede van Christus is, dat Hij het vlees heeft aan­ge­no­men en dat Hij onze zwak­he­den en zon­den draagt als een uitdruk­king van Gods onmete­lijke barm­har­tig­heid jegens ons.

Christus’ armoede is de grootste rijkdom: Jezus’ rijkdom is zijn grenzeloos ver­trouwen in God de Vader, zijn geloof altijd op Hem te kunnen rekenen, zijn verlangen altijd en alleen de wil van de Vader te doen en Hem te ver­heer­lij­ken. Jezus is rijk zoals een kind rijk is dat zich bemind weet en dat zijn ouders liefheeft, zon­der ooit aan hun liefde en teder­heid te twijfelen. Jezus’ rijkdom ligt in het feit dat Hij de Zoon is; zijn unieke relatie tot de Vader is het soevereine voor­recht van deze Messias, die arm is. Als Jezus ons vraagt zijn "juk op te nemen, dat licht is", vraagt Hij ons ons te laten verrijken met zijn "rijke armoede" en zijn "arme rijkdom", om deel­ge­noot te wor­den aan zijn Geest als Zoon en broe­der, om zonen en dochters te wor­den in de Zoon, broe­ders en zusters in de eerst­ge­bo­ren Broe­der (vgl. Rom 8, 9).

Ooit is er gezegd dat de enige spijt die men kan hebben is geen heilige te zijn (L. Bloy); we kunnen ook zeggen dat er maar één soort echte armoede is: niet leven als kin­de­ren van God en als broe­ders en zusters van Christus.

2. Onze ge­tui­ge­nis

We zou­den kunnen denken dat deze ‘manier’ van arm zijn, Jezus’ manier was, want wij die na Hem komen, kunnen de wereld immers red­den met de juiste men­se­lijke mid­de­len. Dat is niet zo. In alle tij­den en plaatsen blijft God de mens­heid en de wereld red­den door de armoede van Christus, die zich­zelf arm maakt in de sacra­menten, in zijn Woord en in zijn Kerk, die een volk van armen is. Gods rijkdom komt niet tot ons via onze rijkdom, maar altijd en uit­slui­tend door onze per­soon­lijke en gemeen­schap­pe­lijke armoede, begeesterd door de Geest van Christus.

In navol­ging van onze Meester, zijn wij, chris­te­nen, ge­roe­pen om de armoede van onze broe­ders en zusters tegemoet te tre­den, aan te raken, ons eigen te maken en prak­tische stappen te zetten om haar te verlichten. Misère is niet het­zelfde als armoede: Misère is armoede zon­der geloof, zon­der onder­steu­ning, zon­der hoop.

Er zijn drie soorten misère: mate­rië­le, morele en gees­te­lij­ke misère. Mate­rië­le misère is wat ge­woon­lijk armoede wordt genoemd, en het treft hen die leven in omstan­dig­he­den die menson­waar­dig zijn: hen die het ontbreekt aan wat zij fun­da­men­teel nodig hebben en waar zij fun­da­men­teel recht op hebben zoals voedsel, water, hygiëne, werk en de moge­lijk­heid om zich cultureel te ont­wik­ke­len en te groeien. In ant­woord op deze misère, biedt de Kerk haar diensten aan, haar diakonia, door deze behoeften te lenigen en deze won­den, die het gelaat van de mens­heid schen­den, te behan­de­len.

In de armen en de uit­ge­slo­tenen zien wij het gelaat van Christus; door de armen te helpen en lief te hebben, hebben wij Christus lief en dienen wij Hem. Onze in­span­ningen zijn er ook opgericht een einde te maken aan de schen­dingen van de men­se­lijke waar­dig­heid, dis­cri­mi­na­tie en mis­bruik in de wereld, want deze zijn zo vaak de oor­zaak waarom men tot misère vervalt. Als macht, luxe en geld idolen wor­den, dan krijgen zij priori­teit boven de nood­zaak van een eer­lijke ver­de­ling van de rijkdommen. Onze gewetens moeten dus wor­den bekeerd tot recht­vaar­dig­heid, gelijk­waar­dig­heid, eenvoud en delen.

De morele misère, die bestaat in de slavernij van de ondeugd en de zonde, is niet min­der zorgwekkend. Hoeveel pijn wordt er in ge­zin­nen niet gele­den omdat een van haar leden – vaak een jon­gere – verslaafd is aan alcohol, drugs, gokken of pornografie! Hoeveel mensen zien de bete­ke­nis van het leven niet of hebben geen vooruit­zichten voor de toe­komst, hoevelen hebben de hoop niet verloren! En hoevelen wor­den er niet in de misère gestort door onrecht­vaar­dige sociale omstan­dig­he­den, door werkloos­heid, die hun hun waar­dig­heid als broodwinners afneemt, en door een gebrek aan gelijke toegang tot onder­wijs en ge­zond­heids­zorg. In derge­lijke gevallen kan morele misère wor­den gezien als een dreigende zelfmoord.

Dit soort misère, die ook leidt tot de fi­nan­ciële ondergang, is altijd verbon­den met de gees­te­lij­ke misère die wij ervaren als wij ons afkeren van God en zijn liefde verwerpen. Als wij denken dat wij God niet nodig hebben, die zijn hand naar ons uitsteekt door Christus, omdat we denken dat wij aan ons­zelf genoeg hebben, dan komen we ten val. God alleen kan ons wer­ke­lijk red­den en bevrij­den.

Het Evan­ge­lie is het ware tegengif voor gees­te­lij­ke misère: waar we ook gaan, wij zijn als chris­te­nen ge­roe­pen het bevrij­dende nieuws te ver­kon­di­gen, dat ver­ge­ving van begane zon­den moge­lijk is, dat God groter is dan onze zon­dig­heid, dat Hij ons altijd liefheeft in vrij­heid en dat wij zijn geschapen voor communio en eeuwig leven.

De Heer vraagt ons vreug­de­volle bood­schappers te zijn van deze bood­schap van barm­har­tig­heid en hoop! Het is aan­grij­pend om de vreugde van de ver­kon­di­ging van dit goede nieuws te ervaren, om de schat die ons is toe­ver­trouwd te delen, gebroken harten te troosten en hoop te bie­den aan onze broe­ders en zusters die door duisternis wor­den omgeven. Het betekent: Jezus, die tot armen en zon­daars is geko­men zoals een her­der liefde­vol zijn verloren schapen zoekt, volgen en naleven. In vereni­ging met Jezus kunnen wij moe­dig nieuwe wegen inslaan voor evangeli­sa­tie en humanitaire actie.

Beste broe­ders en zusters, moge de Kerk in haar geheel deze vas­ten­tijd bereid zijn om aan allen die in mate­rië­le, morele en gees­te­lij­ke misère leven, ge­tui­ge­nis af te leggen van de bood­schap van het Evan­ge­lie, van de barm­har­tige liefde van God onze Vader, die bereid is ie­der­een in Christus te omarmen. Wij kunnen dit doen in zoverre wij Christus navolgen die arm werd en ons verrijkte met zijn armoede. De Vasten is dé geschikte tijd voor zelf­ver­loo­che­ning; wij zou­den er goed aan doen ons­zelf te vragen wat wij op kunnen geven om anderen te helpen en te verrijken met onze eigen armoede. We moeten niet vergeten dat echte armoede pijn doet: er is geen ware zelf­ver­loo­che­ning zon­der deze dimensie van boetedoe­ning. Ik wan­trouw lief­da­dig­heid die niets kost en geen pijn doet.

Moge de Heilige Geest, door wie "wij berooid zijn en velen rijk maken; wij haveloos zijn en de wereld van ons is" (2 Kor 6,10), ons onder­steunen in onze besluiten en onze zorg en verant­woor­de­lijk­heid voor de men­se­lijke misère doen toenemen, zodat wij barm­har­tig kunnen wor­den en barm­har­tig han­de­len. In deze hoop bid ik ook dat elk in­di­vi­duele gelo­vi­ge en elke kerk­ge­meen­schap een vrucht­ba­re vas­ten­tijd zal hebben. Ik vraag u allen voor mij te bid­den. Moge de Heer u zegenen en moge Onze Lieve Vrouw u bewaren.

Vati­caan, 26 de­cem­ber 2013
Feest van de H. Stefanus, diaken en eerste marte­laar

Fran­cis­cus